|
2025

Gezicht op Delft - Johannes Vermeer, ca. 1660 - Mauritshuis Den Haag
Op 29 december 1653 werd Vermeer toegelaten tot het Delftse Sint Lucasgilde;
de beroepsvereniging van schilders, pottenbakkers en boekbinders.
Om lid van het gilde te worden moest een proeve van bekwaamheid worden overlegd:
een meesterstuk. Het in 1653 geschilderde doek 'Diana en haar nimfen',
wordt als zodanig beschouwd.

Diana en haar Nimfen,1653-1654
Mauritshuis, Den Haag
De compositie is nog wat onbeholpen,
maar de kleuren en de stofuitdrukking wijzen al vooruit naar de latere Vermeer.
Hij werd toegelaten. Het inschrijfgeld van ƒ 6,- betaalde hij in twee termijnen.
De Delftse Donderslag, waarbij
op 12 oktober 1654 de halve stad de lucht in vloog is een stukje
geschiedenis uit die tijd. Rembrandts
veelbelovende leerling Carel Fabritius, bekend van het
Puttertje, vond er de dood.
Naast Abraham Bloemaert en Leonaert Bramer wordt Fabritius als
mogelijke leermeester van Johannes Vermeer genoemd. Jaren later
werd Vermeer, die drie schilderijen van Fabritius bezat, zelfs
als zijn opvolger geroemd.
Herboren
Tegenwoordig kent iedereen zijn werk,
maar in de achttiende en vroege negentiende eeuw wist bijna niemand nog wie Johannes Vermeer was.
Hij werd herontdekt door de Franse kunstcriticus Théophile Thoré.
Onder het pseudoniem William Bürger omschreef hij de onbekende meester als de sfinx van Delft.
Recent archiefonderzoek bracht nieuwe informatie over Johannes Vermeer aan het licht.
Johannes Vermeer werd in 1632 in Delft geboren.
Zijn ouders baatten eerst herberg de Vliegende Vos aan de Voldersgracht uit,
later namen ze herberg Mechelen aan de Grote Markt over.
Genietend van een pint kon de stamgast de schilderijen die Vermeers vader Reynier Jansz te koop aanbood bewonderen.
De kleine Johannes kreeg zijn artistieke inspiratie met de paplepel ingegoten.
Op 31 oktober 1632 werd Johannes, zoon van Reynier Jansz en
Digna Baltens in de gereformeerde Nieuwe Kerk gedoopt. Enkele
dagen later werd ook de naam van Thonis Philipszoon in dit
doopregister bijgeschreven. In 1632 stond het nog in de sterren
geschreven, maar beide dopelingen wachtte een glorieuze
toekomst.
Huwelijk
In 1653 trad Johannes Vermeer – boven zijn stand – in het
huwelijk met Catharina Bolnes (1631-1687). De moeder van de
bruid was tegen het huwelijk, maar nadat Leonaert Bramer een
goed woordje voor hem deed ging Maria Thins overstag. Op
voorwaarde dat haar toekomstige schoonzoon zou overgaan tot het
rooms-katholieke geloof. Op 20 april 1653 werd het paar in een
katholieke schuilkerk in Schipluiden in de echt verbonden;
Leonaert Bramer was getuige.
Hij trouwde omhoog, maar door zijn religieuze knieval
degradeerde Vermeer tot een tweederangsburger. Katholieken waren
destijds uitgesloten van openbare ambten. Na de Tachtigjarige
oorlog, de ‘vrijheidsstrijd’ van de Noordelijke Nederlanden,
werden katholieke kloosters en kerken in de Republiek door de
calvinistische overheden in beslag genomen. Boven de grote
rivieren werd de openbare uitoefening van het katholieke geloof
zelfs verboden. Velen kozen voor het calvinistische geloof,
anderen bleven in schuil- en schuurkerken de leer van Rome
trouw.

Allegorie van het katholieke geloof, ca.
1670-1674.
New York The Metropolitan Museum of Art
Het grote huis van Maria Thins, zijn schoonmoeder, aan de Oude Langendijk in de Delftse Papenhoek lag naast zo’n schuilkerk.
In 1660 trokken Johannes en Catharina bij haar in.
Deze episode uit het gezin Vermeer wordt geïllustreerd met een monumentale Gekruisigde Christus door Jacob Jordaens.
Een dergelijk stuk werd in een uit 1679 daterende boedelinventaris in de keuken van huize Thins genoteerd.
Vermeer schilderde deze kruisiging in de achtergrond van zijn
Allegorie op het Geloof. Met een Mariabeeldje en het portret van
de priester die het huwelijk inzegende.
(Een allegorie is een afbeelding of ander kunstwerk waarin een diepere,
verborgen betekenis wordt overgebracht, vaak een morele of politieke boodschap,
door middel van symbolische voorstellingen. In plaats van direct te zeggen wat ze bedoelen, gebruiken allegorieën personages,
gebeurtenissen en objecten om een abstract idee of concept te illustreren)
Naast deze uitingen van vroomheid valt een opmerkelijk schilderij
op met een bordeelscène door Dirck van Baburen.

Dirck van Baburen – De
koppelaarster, 1622
Museum of fine Arts, Boston
Deze heel wat minder heilige voorstelling sierde eveneens een wand in huize Thins.
Kennelijk sprak het werk Vermeer aan. Tweemaal nam hij het als schilderij in het schilderij op:
je ziet het in de Zittende Virginaalspeelster in de Londense National Gallery en in het Concert dat in 1992
uit het Isabella Stewart Gardner museum in Boston werd gestolen en nooit meer is teruggevonden.
Johannes en Catharina werden gezegend met vijftien kinderen
van wie er elf de kinderziektes overleefden.
De oudste zoon Johannes was naar goed katholiek gebruik voorbestemd om priester te worden,
de jongste Ignatius, werd vernoemd naar de stichter van de kloosterorde der Jezuïeten,
die in het buurhuis een schuilkerk hadden.

Zittende Virginaalspeelster, 1672.
National Gallery, Londen
Geldzorgen
Ook al was Vermeer in een selecte kring geliefd,
toch zat hij voortdurend op zwart zaad.
Het doek met de Gitaarspeelster vertegenwoordigde bij zijn leven al een fors bedrag.
Vermeer betaalde er een openstaande rekening van zeshonderd gulden bij bakker Hendrick van Buyten
mee, voor brood dat op de pof was meegegeven.
Er zijn archiefstukken waaruit blijkt dat de Delftse verzamelaar Pieter Claesz van Ruijven (1624-1674),
die de schilder in 1657 met een lening van tweehonderd gulden steunde,
niet minder dan twintig schilderijen van Vermeer bezat.
Toch verdiende de schilder niet genoeg om zijn elf opgroeiende kinderen te onderhouden.
Zijn trage werktempo – Vermeer produceerde één, hooguit twee werken per jaar – was daar zeker debet aan.

Abraham Rademaker, ‘Jesuite kerk’,
ca. 1730 Stadsarchief Delft.
Na het Rampjaar werd het er niet beter op. In 1672 werd Nederland door Frankrijk,
Engeland en de bisschop van Münster aangevallen. Om de vijandelijke opmars te stoppen werd tussen Muiden
en de Merwede een waterlinie gecreëerd. Deze was militair gezien succesvol,
maar de zogeheten Hollandse waterlinie had voor de burgers in de Republiek verstrekkende gevolgen.
Velen gingen failliet of leden financiële verliezen.
Maria Thins liep door de inundatie
eveneens inkomsten uit haar onroerende bezittingen bij Schoonhoven mis. Ook de kunstmarkt stortte in.
Financiële zorgen die als een rode draad door Vermeers levensverhaal lopen
leidden niet lang na het rampjaar in 1675 tot een dramatische ontknoping.
Niet alleen het volk was, zoals wij vroeger op school leerden, redeloos, reddeloos en radeloos,
maar ook Johannes Vermeer moet zich zo gevoeld hebben.
Zijn echtgenote omschreef zijn gemoed …’gelijk als in frenesie vervallende’, waarin je het woord frenzy herkent.
In december van het jaar 1675 kreeg hij een inzinking.
In nog geen twee dagen ging hij, slechts 43 jaar oud, van een gezonde toestand over in de dood.
Opmerkelijk genoeg kreeg de schilder die straatarm stierf een luisterrijke begrafenis.
Getuige een onlangs ontdekte archiefnotitie brachten niet minder dan veertien dragers
Johannes Vermeer naar zijn laatste rustplaats in de Oude Kerk in Delft.
Zijn schoonmoeder betaalde de kosten. Zijn graf werd in de negentiende eeuw geruimd,
maar met een moderne gedenksteen wordt de herinnering aan Vermeer in de Oude Kerk levend gehouden.
Bij bakker Hendrick van Buyten (1632-1701), wiens rekeningen ook eerder al met schilderijen werden voldaan,
stond Vermeer na zijn ontijdige dood weer voor zeshonderd gulden in het krijt. Ook nu nog een hoog bedrag.
Zijn weduwe gaf er getuige een notariële akte van januari 1676 twee schilderijen voor als onderpand.
Na afbetaling van de schuld zou ze deze terugontvangen.
De in de akte genoemde ‘twee personagien waeraff d’eene een brief sitt en schrijft’
en een ‘personagie spelende op een cyter’; worden respectievelijk geïdentificeerd
als de Schrijvende vrouw met dienstbode uit Dublin en de Gitaarspeelster uit het Londense Kenwood House.

Links: Schrijvende vrouw en
wachtende dienstbode, 1670–72 National Gallery of Ireland,
Dublin.
Rechts: Gitaarspeelster, ca. 1670-72 English Heritage, Kenwood
House, Londen.
Objecten uit de boedelinventaris
Zo goed en zo kwaad als het ging knoopte zijn weduwe de eindjes aan elkaar,
maar in 1679 kon Catharina Bolnes het niet meer bolwerken. Ze vroeg faillissement aan.
De objecten die in de toen opgemaakte boedelinventaris werden
opgenomen zijn niet alleen zijn schilderijen. Maaar ook de bolpoottafel, de Spaanse stoelen met leeuwenkoppen,
zes andere met ‘tapyte’ – gobelinstof van Maximiliaan van der Gucht – beklede stoelen,
het geel zijden jakje, de Kruisiging van Jacob Jordaens,
Dirck van Baburens Koppelaarster en de kannen van Delfts aardewerk.

Stoel, Atelier Maximiliaan van der
Gucht, 1662, hout en gobelinstof, 1662
Museum Prinsenhof Delft
Wie zien we op Vermeers schilderijen?
Over deze rekwisieten bestaat dus duidelijkheid,
maar de vraag welke personen zijn schilderijen bevolken blijft onbeantwoord.
Voor deze vraag gaan we in gedachten even naar het Meisje met de Parel.
Het is verleidelijk om in haar en de andere meisjes van Vermeer een portret te zien.
Tot de huidige dag willen kenners ons echter doen geloven dat dit slechts gelaatsstudies zijn.
Zogeheten tronies, zoals ook Rembrandt die schilderde. Gevraagd naar het waarom luidt het antwoord:
ze zijn te mooi om waar te zijn.
In de zeventiende eeuw had niemand zo’n gave huid. Vrijwel elk
gezicht vertoonde sporen van (water)pokken en sinds de
introductie van suiker had bijna niemand een gaaf gebit. Dat is
waar, maar zoals camouflagestiften onze minder mooie kantjes
verbloemen, kon de zeventiende-eeuwse portrettist met wat
fantasie en welgekozen retouches een flawless-finish of zelfs
complete make-over bewerkstelligen. Frans Hals en Rembrandt
kozen hun kroost als model. Waarom zou Vermeer zijn dochters
niet hebben laten poseren?

Links: Meisje met de Parel, 1665,
Mauritshuis Den Haag
Rechts: Meisje met een sluier, ca. 1665, The Metropolitan, New York
Van deze vermeende tronies kijken we nog even naar Vermeers lezende en schrijvende vrouwen.
In zes doeken zijn vrouwen in de weer met een brief. De inhoud is voor de kijker niet te zien.
De symbolische context verraadt dat het vaak over de liefde gaat.
Kijk bijvoorbeeld naar de prominent in de achtergrond geschilderde Cupido in het Brieflezend meisje bij het venster uit Dresden.
Vermeer schilderde verschillende doeken waarin niet alleen een brief,
maar ook een dame en een dienstbode figureren.
De inmiddels veelal in de vergetelheid geraakte symboliek
in zeventiende-eeuwse schilderijen kan vaak aan de hand van contemporaine literatuur en embleemboeken worden geduid.
Zo geeft een ‘zelfhulpboek’ voor onbereikbare geliefden,
het antwoord op de vraag waarom al die dienstbodes in zeventiende eeuwse interieurstukken voorkomen.
Uit Jacob Westerbaens Avondschool voor vryers en vrysters uit 1668 blijkt dat zij een belangrijke rol speelden
als tussenpersoon tussen geliefden. De auteur adviseert:
…al werd ghy nau bewaeckt: ghy vind de gelegentheyd/Om aen u vryer ….door uw meyd:/….
heen en weer te schrijven/Uw briefjes kunnen gaen en ’t kan verhoolen blijven’.
Gaat het in deze werken van Vermeer kennelijk om de liefde:
naar de boodschap op het papier van Vermeers Brieflezende vrouw in het blauw kunnen we slechts gissen.
Dat geldt ook voor de identiteit van deze mooie hoogzwangere vrouw in haar nachtjakje.
Hoewel… wetende dat Vermeer en zijn echtgenote vijftien kinderen kregen is een rekensom gauw gemaakt.
Gedurende hun 22-jarige huwelijk moet zij vaker wel dan niet in verwachting zijn geweest.
Zou de schilder zijn geliefde echtgenote nooit eens gevraagd hebben om model voor hem te staan?

Brieflezende vrouw in het blauw, 1662-64
Rijksmuseum, Amsterdam
Tijdgenoten in Delft
In schilderijen van Karel du Jardin en Leonaert Bramer vond de jonge Vermeer inspiratie,
maar bij wie leerde hij het vak? De historieschilder
Leonaert Bramer lijkt de beste kanshebber. Wie in de grote zaal van het Prinsenhof opkijkt,
ziet plafondschilderingen met musicerende engelen van zijn hand.

Leonaert Bramer, Plafondschildering
met musicerende engelen,1667-1668
Grote zaal Prinsenhof, Delft>
Bramer legde zich vooral toe op historiestukken.
Schilderijen met een mythologisch, historisch of bijbels onderwerp genoten
in de kunsttheorie van de zeventiende eeuw de hoogste waardering.
Ook de Delftse architectuurschilders lijken als inspiratiebron
in aanmerking te komen voor de jonge Vermeer.
Bij Gerard Houckgeests Kooromgang van de Nieuwe Kerk wordt uitleg gegeven over de twee verdwijnpunten
die de schilder in zijn compositie aanbracht.
Eén daarvan komt aan de linkerkant van het werk uit bij de graftombe van Willem de Zwijger.
In navolging van deze architectuurschilder gaan ook de Delftse schilders van interieurstukken meer aandacht
aan het juiste perspectief besteden.
Na enkele vroege historiestukken legde Vermeer zich vooral toe op zogeheten genrestukken.
Deze ogenschijnlijk realistische inkijkjes in het leven van alledag hebben niet zelden een symbolische betekenis.
Ook Anthonie Palamedesz (1602-1673), Hendrick van der Burgh (1625-1664) en de bekendere Pieter de Hooch (1629- ca. 1679)
produceerden zogenoemde genrestukken. Tussen het werk van laatstgenoemde en
dat van Vermeer is zelfs sprake van artistieke wisselwerking.

Gerard Houckgeest, Kooromgang van de
Nieuwe Kerk te Delft,
met graftombe van Willem de Zwijger, 1651. Mauritshuis, Den Haag
Soms nam Vermeer werk van anderen over,
zoals de al genoemde Koppelaarster van Dirck van Baburen. Een Berglandschap naar Pieter Anthonisz van Groenewegen
siert het deksel van het instrument in de Staande Virginaalspeelster, uit Londen.
Niet alleen Vermeer, maar ook de Delftse plateelschilders namen composities of
beeldelementen van kunstschilders over. In het Prinsenhof zie je kannen en plaquettes van het zogenoemde Bramerkeramiek,
versierd met Bijbelse scènes van Leonaert Bramer.

Staande Virginaalspeelster (ca. 1670-1671)
Londen, National Gallery
Passanten
Onder de noemer passanten, passeren enkele kunstenaars de revue die maar korte tijd in Delft zijn neergestreken,
zoals Maria van Oosterwijck (1630-1693). De bloemenschilderes
had tussen 1656-1658
‘vermoedelijk’ een atelier in de Voorstraat. Een stilleven van haar hand en haar portret door
Wallerant Vaillant geven antwoord op vragen naar wat zij deed en wie zij was. Een mooie, ingetogen,
chique geklede dame. Haar attributen, een palet en een dik boek verwijzen naar haar schilderkunst en
geleerdheid of etaleert zij haar godsvrucht? Het boek op haar schoot heeft getuige de twee tekstkolommen
veel weg van een bijbel.

Wallerant Vaillant, Maria van Oosterwijck (1630-1693),
1671
Rijksmuseum, Amsterdam
Ook Jan Steen (1626-1679) woonde enige tijd in Delft.
Vanaf 1654 stond hij korte tijd aan het roer van bierbrouwerij De Roskam aan de Oude Delft.
Van zijn hand zie je een geestige impressie van een dorpsbruiloft.
Belangrijker nog is het portret dat Jan Steen in 1655 van zijn overbuurman,
de graanhandelaar Adolf Croeser (1612-1668) en diens dertienjarige dochter Catharina schilderde,
dat sinds jaar en dag bekend stond als De burgemeester van Delft en zijn dochter.

Jan Steen (1626-1679), Portret van Adolf en Catharina Croeser,
bekend als ‘De burgemeester van Delft en zijn dochter’, 1655. Amsterdam, Rijksmuseum
Zittend op een bankje
voor zijn chique grachtenpand, geniet Croeser van de mooie dag.
Zou het bloemstuk in de vensterbank door Maria van Oosterwijck
zijn ingeschilderd? Zijn rust is van korte duur, want hij wordt
aangesproken door een smoezelige arme vrouw met gaten in haar
schoenen. Geflankeerd door een zielig kind vraagt zij om een
aalmoes. Dochter Catharina heeft hier duidelijk geen
boodschap aan!
Die kant van de
samenleving,
de tegenstelling tussen arm
en rijk in Vermeers tijd
ontbreekt in Vermeers schilderijen, maar zelf kende
hij wel armoede. Uit een archiefstuk waarin de dood van de
schilder is opgetekend, blijkt dat er bij zijn
teraardebestelling geen geld was om de destijds gebruikelijke
schenking aan de armen te doen. Vermeers nalatenschap bestond
uit louter schulden: er was ‘niet[s] te haelen’.
Een verhaal over het Delft van Vermeer zou incompleet
zijn zonder Vermeers Gezicht op Delft,
het doek, waar zijn ‘ontdekker’ Theophile Thoré zo van onder de
indruk was. En hij niet alleen. Ook de Franse auteur Marcel
Proust (1871-1922), raakte na het zien van dit werk in de ban
van Vermeer. In zijn romancyclus À la recherche du temps perdu
blaast Prousts protagonist, de schrijver Bergotte, voor dit
schilderij zijn laatste adem uit, terwijl hij met spijt
verzucht:
‘…zoals Vermeer schilderde had ik moeten
schrijven’. Vermeers fabelachtige impressie van de stad vormt de climax
in een lange traditie van Delftse stadsgezichten door onder anderen Hendrik Vroom en Jan van Goyen.

De geograaf, 1669, uit het Städel in Frankfurt
Kunst, wetenschap en religie
Nieuwe wetenschappelijke inzichten leidden niet alleen
tot een beter begrip van de zichtbare wereld, maar werden ook gebruikt ter illustratie van de grootsheid
van Gods Schepping. Hier zien we Antoni van Leeuwenhoek en zijn geestverwanten terug.
De onderzoekers van de zichtbare en de (met het blote oog) onzichtbare wereld deden belangrijke ontdekkingen
op het gebied van geneeskunde, astronomie, wiskunde en optica. Hun bezigheden en vindingen inspireerden
Vermeer tot het schilderen van de pendanten De Astronoom uit het Louvre en de Geograaf
uit het Städel in Frankfurt en zijn Allegorie van het Katholieke Geloof uit The Metropolitan in New York.
Antoni van Leeuwenhoek, wiens naam in 1632 in het doopregister van de Nieuwe Kerk
enkele regels onder die van Johannes Vermeer werd bijgeschreven, komen we tenslotte in een archiefstuk
uit 1667 nogmaals tegen. Niet als wetenschapper, maar in de minder sympathieke rol van advocaat van Vermeers schuldeisers.
Hij overleefde de man, met wie hij met de doop in in de Nieuwe kerk in 1632 gelijktijdig aan zijn levensreis
begon met bijna vijftig jaar. In 1723 werd Van Leeuwenhoek eveneens in de Oude Kerk begraven.
Met dit droevige slotakkoord is het laatste woord over Vermeer nog niet gezegd
Bij zijn leven wisten kunstliefhebbers en
verzamelaars de weg naar Vermeers atelier te vinden. Dankzij
dagboeknotities zijn de namen van enkele bewonderaars bekend. De
Fransman Balthasar de Monconys bezocht Vermeer in 1663. Voor het
zien van zijn schilderijen stuurde Vermeer hem door naar de
bakker! In 1669 klopte een zekere Pieter Teding van Berkhout
eveneens bij de ‘célèbre Peijntre’ aan om ‘quelques curositez de
sa main’ te bezichtigen. Vandaag de dag zijn de bewonderaars van
Vermeer verduizendvoudigd: velen staan in de (wacht)rij om
Vermeers werk in het Rijksmuseum te kunnen bezichtigen.
|